webshopindisch antiekmanokwari NUindische kookboekenhoe het begonwat is een pasar malamlinkshomecontact

Het wayangspel

"Onder de duistere overschaduwing van een oeroude waringin zitten honderden roerloos bijeengehurkt, luisterend naar de geheimzinnig verhalende stem van de 'dalang', drommerig kijkend naar de vertrouwde silhouet der grotesk gesneden poppen, die uit de coulissen van de nacht voor het voetlicht treden om elkaar te bestrijden: de geesten van het Goed en van het Kwaad; goden, helden, dwazen, duivelen, monsters. De natuur zelf acteert mee: vleermuizen, aangelokt door het licht, fladderen voor het scherm langs als de lugubere trawanten der uit de onderwereld ontvluchte schimmen. Dan is daar de gamalan het orkest van de vorst, dat de ganse voorstelling met zoet getokkel van hout op hout en het week en helder uitzingen van brons omspeelt, tot in een dramatisch ogenblik de grote gong een huivering van bronzen klank door de nacht der demonen doet varen. Dan is daar de symfonische indeling van het spel, met de opwindende climax omstreeks het middernachtelijk uur en de schone bevrijdende rust nadat de strijd is uitgestreden, de tedere verrukking van de 'perang kembang', de Bloemenkrijg, kort voordat het eerste daglicht het kleinere licht van de verteller dooft en aan het efemerisch leven der fantomen een einde maakt.

Die avond zag ik de schim van Birnah, de legendarische held, de wereld intrekken, vervuld van het verlangen om er de diepste, enige zin van te doorgronden. Ik zag hem, gepantserd nog door zijn onschuld, de gevaarlijke verleidingen der jeugd overwinnen. Maar omstreeks het midden van ons leven komt pas de grote beproeving. Bimah verdwaalt dan in een duister en uitgestrekt woud; er zijn vele stemmen en echo's en hij weet niet meer naar welke hij zal luisteren. Demonen, lugubere droomwezens springen verraderlijk achter de bomen tevoorschijn, bespotten hem en laten zich niet vatten. Eert laatste redding zoekt hij in de ‘semadi’‑beoefening, de inkeer tot zichzelven. Hij zet zich neer met gekruisde armen en onder het lijf gevouwen benen; hij buigt het gelaat naar voren en 'sluit de negen lichaamsopeningen', opdat geen beelden, geen geluiden, geen geuren meer tot hem zullen doordringen. De tijd schijnt stil te staan. De eeuwigheid wiekt geruisloos om hem heen; misschien voelt hij op zijn schouderhuid de ademtocht der machtige vleugelen. De gamelan weeft steeds maar voort aan een wonderlijk verstard thema, dat, gelijk een 8, geen begin en geen einde heeft. De toeschouwers staren zonder nog te zien, luisteren zonder nog te horen; ook zij weten van tijd noch plaats meer; om ons allen wiekt in ademloos zwijgen de oneindigheid.

Slechts de dalang daar achter het kleine scherm waakt, waakt overt zijn held, waakt over de olievlam, waarvan hij de wat laag brandende pit met een spijker omhoogpeutert. Hij vermeldt het telkens wanneer Bimah weer een hogere staat der semadi binnentreedt De gamalan geeft de kosmische suizingen weer, die de voor het alledaagse gesloten oren van de semadi-beoefenaar vernemen; het zijn vreemde, onheilspellende geluiden van storm en onweer en neerstriemende regen. En het gerucht zwelt en zwelt nog. De extatische miiddernachtelijke muziek heeft mij onweerstaanbaar uit mijn bed gelokt wanneer ik, vermoeid, eens vroeg was gaan slapen; haar innerlijke spanningen zijn zo geweldig, dat ze tot het onderbewustzijn doordringen De oude dalang spreekt met van agitatie verhoogde stem; snelle hamerslagen op de wajangkist suggereren het openspringen van nieuwe, hogere werelden en vertolken de donderstem der goddelijke wezens welke die werelden bevolken; bergwanden storten met dof gekraak ineen; stromen bevrijden zich, bomen en rotsen met zich meesleurend Dan: één laatste harde slag op de kist en het ontketende orkest volg de held op zijn duizelingwekkende reis door de luchten naar de oever der zee, het louterende element. Bimah waadt de golven in ‑daar valt Naga, de Slang, hem aan. Naga, de heerseres der wateren, waarvan ieder weet, dat zij het leven symboliseert. Indien hij haar doodt, snijdt hij zichzelf de ademtocht af... Maar Bimah aarzelt niet: hij plant Naga zijn lange scherpe duimnagel in het oog en stort zich, het hoofd omlaag, in de onbekende diepten van de oceaan.

In dit rijk "van niets dan licht en zonder één enkele schaduw" verwelkomen hem weer de ontroerde jubeltonen van de gamelan. Thans is hij gereed voor de Bloemenkrijg, de apotheose, door de gamelan uitgezonden in haar liefelijkste guirlandes van klank. Nu wordt het gevecht tegen zijn belagers uit de onderwereld niet meer dan een gratievol gestyleerde dans. Vergeefs lopen de woest getande monsters storm; tegen Bimah's verheven rust blijken zij machteloos; hun aanvallen stranden in potsierlijke buitelingen.

De mystiek, waarin de legende zich dan nog lang vermeit, is voor mij als niet‑Oosterling niet meer te doorgronden. En die avond wilde ik er de Tjokorda ook niet naar vragen. hij staarde tot het einde toe mijmerend naar het scherm, voor alle andere indrukken van buitenaf gesloten, onvermoeibaar gelijk alle Baliërs, die van kindsaan gewend zijn, nachten te doorwaken".

Uit: 'Eiland der demonen' Door; Johan Fabricius

Uitg. Meulenhoff Amsterdam, 1941/1963

TERUG